federatie federatie federatie federatie kerkenleven
 
Hoofdartikel Laatste up-date 18 04 2018
 

 

 

hoofd

Ver geraken

U kent ongetwijfeld het grapje van die buitenlandse toerist die aan het Centraal Station  van Antwerpen aan twee agenten eerst in het Frans vraagt naar de Groenplaats: “Où est la Place verte svp?”  Waarop de twee agenten schouderophalend duidelijk maken dat ze hem niet verstaan.  De man probeert in het Engels: “Can you please tell me where i can find the Green square?”  Zonder succes.  Hij probeert in het Spaans: “Quiere usted decirme donde es la plaza verde?  De agenten verstaan hem niet en nadat de toerist het nog eens in het Duits en het Italiaans geprobeerd heeft, gaat hij teleurgesteld weg. Waarop één van de twee agenten tegen zijn maat zegt: “Da’s toch fantastisch als ge zoveel talen kent” en de andere agent antwoordt: “Ge ziet hoever dat hij d’r mee geraakt”.
Ik denk dat God soms denkt zoals die agent als het over de Kerk gaat. Gelovig zijn drukt zich uit in velerlei vormen en talen. In naar de mis gaan, uw communie doen, trouwen voor de kerk en begraven worden in de kerk, in moeilijke boeken over theologie en in prachtige liturgie, in een affiche hier en daar, in godsdienstles op school. Maar ge ziet hoever dat we daar mee geraken. We zijn volkomen ongevaarlijk geworden en we krijgen onze overtuiging nauwelijks aan anderen verkocht. Wie van ons is er bij zijn leven al in geslaagd om één mens te bekeren tot het christelijk geloof? We leven immers in een tijd waarin we zeggen: ieder voor zich en in zijn geloof zalig en we doen er dus ook geen moeite voor. Nochtans heeft ook de samenleving veel weg van die toerist.  De samenleving spreekt in vele talen. De taal van de economie, van het geld, van alles georganiseerd en in wetten en regeltjes gegoten, van carrière en macht, de taal van consumptie, van uitsluiting en onverdraagzaamheid. En het resultaat is dat ook de samenleving daar niet ver mee komt.  Ze wordt niet begrepen door zwerfjongeren, vluchtelingen, werklozen, armen en eenzamen. Dat zie je pas goed als mensen uit de vierde wereld voor de zoveelste keer niks snappen van het deurwaardersexploot dat ze onder hun neus geduwd krijgen. De rechterlijke taal is niet die van de werkloze of die van de bouwvakker, de dichter of de journalist. Dus mag vandaag zeker niet verzwegen worden dat er een moment is geweest, waarop een taal werd aangereikt die elk taalprobleem deed verdwijnen. Dat was op het moment waarop de Geest Gods, die Jezus bezielde, oversloeg op de apostelen, op de eerste leerlingen en de velen die met hen daarvoor open stonden. Welke taal dat was weten we onderhand wel: de dadentaal van Jezus die zich concreet uitte in een onafgebroken goedheid voor de medemens, een taal die eenieder kan spreken die de Geest van God in zijn eigen leven aan het woord laat. Als je een beetje opschuift op het strand om wie loopt te zoeken een plekje onder de zon te geven, dan mag je brabbelen wat je wil, het zal worden verstaan. Als je die oudere vreemdeling op de tram een zitplaatsje aanbiedt…  het zal als Turks, Marokkaans, Kongolees of wat dan ook in de oren klinken. Als je het gebrabbel van die Alzheimerpatiënt in het ziekenhuis ontcijfert door haar een kus te geven zonder een woord te zeggen het zal als muziek in de oren klinken. Pinksteren is dat prachtige cadeau van God, het  gereedschapskoffertje dat we van Hem krijgen om op duizend en een manieren mensen om ons heen een beetje te laten opstaan, zeg maar verrijzen, uit hun onmacht, hun verdriet, hun eenzaamheid enzovoort. Het is die energiebron die ons voortdurend kleine dingen doet doen, waardoor er iets veel groters kan gebeuren.
Het is een universele taal, de taal van goedheid tegen de medemens die ook wij kunnen spreken als we die Geest van Jezus toelaten. Moge die taal vanaf vandaag opnieuw door  meer mensen gesproken worden. Door ons bijvoorbeeld. Want anders denk ik dat God bij alles wat wij op zondag bidden en zingen inderdaad af en toe moet denken: “Ge ziet hoever ze d’r mee komen”.

Ronald Sledsens